Skip to main content

In de eerste helft van de twintigste eeuw werden tienduizenden kilo’s cocaïne geproduceerd in Amsterdam. Sappig detail: tijdens de Eerste Wereldoorlog werd vanuit het neutrale Nederland met goedkeuring van de regering coke geleverd aan beide kanten van het front.

Tekst Aron Friedman

Tegenwoordig kun je het je amper voorstellen, maar ruim een eeuw geleden was Nederland één van de grootste cocaïneproducenten ter wereld. Tussen 1900 en 1962 werden in de Nederlandsche Cocaïnefabriek (NCF) in Amsterdam tienduizenden kilo’s coke gefabriceerd. Officieel was de bestemming van al dat witte poeder medicinaal. Maar tijdens de Eerste Wereldoorlog kreeg de fabriek toestemming van de regering om een aanzienlijk deel te verhandelen aan zowel Duitsland als Engeland, die er aan beide kanten van het front soldaten mee bevoorraden. Dat is nog eens een sterk staaltje VOC-mentaliteit!

Cocaïne is een van de populairste drugs op aarde – en dat is niet voor niets. Duizenden jaren geleden werd de cocaplant al door de Inca’s geheiligd om zijn geneeskrachtige en stimulerende werking. Toen een Duitse chemicus in 1855 de werkzame alkaloïde uit de plant wist te isoleren, noemde hij die cocaïne. In de daaropvolgende decennia kwamen allerlei nieuwe wondermiddelen met coca en cocaïne op de markt, van zalfjes en poeders tot pillen en drankjes.

Vin de Mariani, wijn met cocabladeren, was een populaire drank in de negentiende eeuw. Meerdere beroemde figuren uit de geschiedenis, waaronder twee pausen, waren eraan verknocht

Wondermiddel
Dranken als Vin de Mariani (zie afbeelding) geven de tijdsgeest goed weer. Zo ook het in 1886 gepatenteerde Coca-Cola. Deze negentiende-eeuwse energydrink was onder andere gemaakt van cocabladerenextract. (Fun fact: inmiddels bevat de frisdrank al ruim een eeuw geen actief werkende stof meer, maar het bedrijf heeft als enige in de VS een licentie om legaal coca te importeren). Een ander treffend voorbeeld uit die jaren is Sigmund Freud, die cocaïne als ultiem wondermiddel zag en het voorschreef aan een vriend om zijn morfineverslaving te bestrijden. Waarna de arme man er dus nóg een verslaving bij had.    

Ultiem wondermiddel of niet, de medicinale werking van cocaïne is niet te versmaden. Het werkt uitstekend als plaatselijk verdovingsmiddel en als pijnstiller. Daarom was het destijds een welkome toevoeging aan ieders medicijnkast. In Amsterdam kon je vanaf 1870 terecht op Zeedijk nummer 16 voor doctor José Alvarez’ zelfgemaakte cocaïnepreparaten. In een advertentie in de Geneeskundige Courant verzekerde hij dat zijn cocapillen (twee gulden per doosje) zorgden voor ‘de meest verrassende genezingen bij hals-, borst- en longziekten, zoals verkoudheden, astmatische toevallen, kleine zweeren aan de long, zelfs wanneer laatstgenoemden reeds in hoogen graad aanwezig zijn.’

Opium- of cocaïneverslaving werden in die jaren niet als een maatschappelijk probleem gezien, openbare dronkenschap wel. Zo zie je maar dat taboes op middelen vaak tijdgebonden zijn


Je kon trouwens coca- of cocaïneproducten met namen als Vin de coca du Pérou en Prof Dr. Sampsons coca preparaten ook zonder recept kopen bij iedere apotheek, drogist of kruidenier. En hoewel al snel duidelijker werd dat cocaïne en opiaten behoorlijk verslavend kunnen zijn, schreven artsen beide producten gemakkelijk voor. Opium- of cocaïneverslaving werd in die jaren niet gezien als een maatschappelijk probleem. Alcoholisme des te meer: op openbare dronkenschap stond in Amsterdam een fikse boete van tien gulden. Zo zie je maar dat taboes op middelen vaak tijdgebonden zijn. 

Opeens heb je het… je wordt cocaïnefabriekaandeelhouder

Handelsgeest
De cocabladeren voor Europese cocaïne werden aanvankelijk geïmporteerd uit Bolivia en Peru. Vooral de Peruaanse bladeren werden door de Europeanen in bulk genuttigd en kwamen binnen via de haven van Hamburg. Nederland zou Nederland natuurlijk niet zijn als wij geen handel roken in dit populaire goedje. In 1878 gingen een paar cocastruiken mee op een vrachtschip vanuit Zuid-Amerika naar Java, waar ze op de plantage Hortus Botanicus in Buitenzorg werden geplant. Twaalf jaar later (de planten doen er heel lang over om uit te groeien) was de coca klaar voor export.


Nederland zou Nederland niet zijn als we geen handel roken in dit populaire goedje

Vanaf 1891 speelde de Koloniale Bank – die financiële belangen had in ondernemingen in tropische land- en bosbouwproducten – een belangrijke rol in de import en export van Java-coca. Vanuit Nederland werd het vooral doorgevoerd naar Duitsland, waar het werd verwerkt tot eindproduct. Op een gegeven moment besefte de bank dat het natuurlijk veel lucratiever zou zijn om zelf cocaïne te maken. In 1895 werd dan ook de Nederlandsche Cocaïnefabriek (NCF) opgericht.

Het duurde nog wel vijf jaar eer de fabriek er daadwerkelijk stond, maar in 1900 was het zover: op de hoek van de Schinkelstraat en de Schinkelkade in Amsterdam begon de NCF met het fabriceren van de eerste cocaïne. Aan de ene kant van het lab stond het ketelhuis, met een stoomketel en een luchtpomp. Aan de andere kant stond het extractielokaal – met bijvulketels, een roervat en vijftien ketels voor bewerking – en het magazijn. Binnen enkele jaren steeg de kwaliteit van de Java-coca zo (in het begin was die nog waardeloos) dat hij de Peruaanse overtrof. De vraag naar in Nederland geproduceerde coke bleef stijgen. Er waren inmiddels ook andere cocaïnefabrieken, in Amsterdam en Meppel. De NCF kreeg er een verdieping bij en werd uitgebreid met nog meer nieuwe gebouwen. 

NCF: Breaking Bad aan de Schinkelkade (foto: NRC)

Oorlog
In de jaren voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stak er een nieuwe wind op: drugs werden steeds meer gezien als problematisch. Tijdens de internationale opiumconferentie in Den Haag in 1911 werd op initiatief van de Verenigde Staten besloten de handel in en productie van cocaïne internationaal te reguleren. Maar het duurde nog wel even voordat Nederland besloot het verdrag te bekrachtigen. Inmiddels was Amsterdam namelijk de grootste doorvoerhaven van coca ter wereld geworden. De Java-coca leverde een half miljard gulden per jaar op. In 1908 was de NCF zelfs verhuisd naar de Duivendrechtsekade, omdat verdere uitbreiding op de oude locatie niet meer mogelijk was.

In principe gold er een exportverbod op geneesmiddelen uit het neutrale Nederland, maar de NCF kreeg hiervoor een ontheffing


Aanvankelijk spinde de Nederlandsche Cocaïnefabriek garen bij het uitbreken van de oorlog. Niet alleen had de grootste NCF-concurrent, het Duitse Merck KGaA, nu geen toegang meer tot grondstoffen of afzetmarkten. Ook steeg aan beide kanten van het front de vraag naar cocaïne. In principe gold er een exportverbod op geneesmiddelen uit het neutrale Nederland, maar de NCF kreeg hiervoor een ontheffing. Naar naarmate WOI voortsleepte, werd het ook steeds lastiger voor de NCF om grondstoffen te krijgen. Toch bleven ze aan beide partijen, de Geallieerden en de Centralen, honderden kilo’s cocaïne leveren. 


Over de exacte hoeveelheid die er in die oorlogsjaren is verhandeld lopen de meningen uiteen. Schrijfster Conny Braam onderzocht de NCF voor haar boek De handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïnefabriek (een mooie roman over iemand die voor de fabriek werkt). Zij kwam uit op 30.000 kilo tussen 1914 en 1918, wat zou betekenen dat Nederland de grootste producent van cocaïne ter wereld was. Hans Bosman, voormalig hoofd van de chemie van NCF, promoveerde op het onderwerp. Hij schatte de hoeveelheid een stuk lager in, op zo’n 500 tot 900 kilo tussen 1910 en 1917. Dat zou Nederland dan weer een veel kleinere speler maken dan bijvoorbeeld Duitsland. Ze zijn het er in elk geval over eens dat er grote hoeveelheden naar beide kanten van het front werden verscheept.

Soldaten aan het front in de Eerste Wereldoorlog

Te beladen
Na de oorlog bleef de productie aan de Duivendrechtsekade doorgaan, maar in de Opiumwet uit 1919 werd bepaald dat cocaïne alleen nog geproduceerd mocht worden door bedrijven met een vergunning. In 1928 werd de wet aangepast, waardoor cocaïne alleen nog geproduceerd mocht worden voor geneeskrachtige doeleinden. Naarmate coke als geneesmiddel steeds minder belangrijk werd, nam de vraag ook steeds meer af. De NCF heeft zich nog een tijdlang gericht op het produceren van morfine en heroïne. In de Tweede Wereldoorlog zetten de nazi’s de fabriek in om efedrine te produceren, een van de grondstoffen voor crystal meth (zie ook: ‘Stijf van de pep’). Maar de grootste kaskraker in later jaren bleek wel novocaïne, dat nog decennialang door tandartsen als verdovingsmiddel is gebruikt.

In 1975 werd de naam van de NCF gewijzigd. Cocaïne was inmiddels een te beladen woord geworden om nog voluit onderdeel van de fabrieksnaam te blijven


In 1962 sloot de Nederlandsche Cocaïnefabriek zijn deuren, na een overname van Koninklijke Zwanenburg Organon (KZO). Veel van de werkzaamheden werden naar Apeldoorn verplaatst. In 1972 hield de naamloze vennootschap, die al lang niet meer als kerntaak had ‘het vervaardigen van chemische producten, in hoofdzaak cocainum hydrochloricum en bijproducten en de verkoop daarvan’ op te bestaan. In 1975 werd de naam gewijzigd in NCF Holding BV, met AkzoNobel als moedermaatschappij. Cocaïne was inmiddels een te beladen woord geworden om nog voluit onderdeel van de fabrieksnaam te blijven.  

 

Hoeveel kilo’s er precies zijn geproduceerd en of Nederland wel of niet de grootste producent was tijdens de oorlogsjaren, is iets waar geschiedkundigen vast nog oneindig over zullen bakkeleien. Wat als een paal boven water blijft staan is dat de NCF met medewerking van de Nederlandse staat geprofiteerd heeft van de Eerste Wereldoorlog. Een merkwaardige geschiedenis, helemaal als je bedenkt wat onze demissionaire Minister van Justitie enkele jaren geleden nog riep over cocaïnehandelaren en -gebruikers. Wie had er ook alweer bloed aan zijn handen?


Bronnen:
Wikipedia/ Ons Amsterdam/ Andere Tijden

Leave a Reply