Skip to main content

Was Nederland ooit maar wat progressief met zijn pragmatische gedoogbeleid, inmiddels zijn de van oudsher meest conservatieve staten in Amerika vooruitstrevender en coulanter in hun drugsbeleid. Hoe zijn wij als pioniers in de tuttige achterhoede terecht gekomen?

Tekst Isa Davids 

November, 2020. De emoties liepen hoog op aan de andere kant van de oceaan, toen de Amerikanen na vier jaar Trump naar de stembus mochten. Belangrijke thema’s als de coronapandemie en de Black Lives Matter-beweging domineerden het debat. Maar er was nog een onderwerp dat centraal stond bij de verkiezingen, namelijk dat van drugshervorming. Sommige staten hadden een voorgestelde versoepeling van het drugsbeleid op hun stembiljet staan, waarop stemgerechtigden met een yay of nay konden antwoorden. De uitkomst van de stemming op dit deelonderwerp was compleet onverwacht; zelfs de meest conservatieve staten als Arizona en Mississippi stemden voor volledige legalisatie van wiet. Deze progressieve houding druist in tegen die van het normaal zo conservatieve zuiden. Ondertussen werd in de aanloop van de Nederlandse verkiezingen in maart 2021 gepleit voor een restrictiever drugsbeleid. Het zet een mens aan het denken: hoe is Nederland – ooit pionier op het gebied van decriminalisatie van drugs – zo ingehaald door het land dat ooit de war on drugs initieerde? 

Hoe het allemaal begon 

Het ontstaan van de war on drugs was geen natuurlijke ontwikkeling, maar een concept bedacht door de administratie van toenmalig president Richard Nixon om twee groepen, namelijk de zwarte gemeenschap en de anti-oorlogsbeweging, bewust te dwarsbomen. In een interview in 1994 zei John Ehrlichman, een van Nixons adviseurs: ‘We wisten dat we tegen de oorlog zijn of zwart zijn niet illegaal konden maken, maar door associaties te creëren tussen hippies en marihuana en zwarten en heroïne en beide zwaar te criminaliseren, konden we beide gemeenschappen ontwrichten.’ Met andere woorden: Nixon zocht een excuus om zijn niet-rechtse tegenstanders uit te schakelen. In 1971 riep Nixon dan ook, bij wijze van symboolpolitiek, op tot ‘de oorlog tegen drugs’. Hij volgde hierin het voorbeeld van zijn voorganger Lyndon B Johnson, die in 1962 het soortgelijke begrip ‘de oorlog tegen armoede’ in de wereld had geroepen. Nixon negeerde het rapport dat in 1972 werd uitgebracht door een commissie geleid door politicus Raymond Shafer, voorzitter van de National Commission on Marijuana and Drug Abuse. Het rapport was geïnitieerd door Nixon zelf, maar Shafer pleitte daarin voor decriminalisatie van marihuana, geheel tegen Nixons plannen in. Vervolgens kwam op 28 januari 1972 de Drug Abuse office and Treatment Act tot stand, waarmee de aanval op drugs officieel was geopend. 

De cijfers liegen niet, nog steeds wordt in Amerika elke 25 seconde iemand opgepakt voor drugsbezit

Voormalig president Richard Nixon

De mensen die destijds wiet verbouwden waren veelal geïnspireerd door de hippiecultuur, een zachtaardige cultuur met een idealistische grondslag. Dankzij het beleid van Nixon waren zij genoodzaakt te stoppen, waardoor de teelt al snel werd overgenomen door doorgewinterde criminelen die de politie niet uit de weg gingen. Hierdoor veranderde het ‘vrije’ karakter dat jarenlang om drugs had gehangen in een angstcultuur. De massahysterie werd verder aangewakkerd door politici als Ronald Reagan en zijn vrouw Nancy. De crackepidemie die in de Reagan-jaren in het land woedde was een angstbeeld, één dat met hand en tand bestreden moest worden, aldus het presidentiële echtpaar. Nog strenger antidrugsbeleid volgde. Het effect? De cijfers liegen niet, nog steeds wordt elke 25 seconden iemand opgepakt voor drugsbezit. Een op de vijf Amerikaanse gedetineerden zit vast vanwege drugsbezit, en dit aantal is sinds 1980 verdriedubbeld. 

California dreamin’

In de jaren negentig begon de publieke opinie in de VS wat betreft softdrugs langzaam te veranderen. Dat was onder andere te merken aan initiatieven als The Drug Policy Association, een organisatie die zocht naar een alternatief voor het huidige drugsbeleid, opgericht door advocaten Arnold Trebach en Kevin Zeese. 

Het stereotype van de straatjunkie verdween langzaam, deels doordat de economie groeide en er minder armoede was. New York, een stad die in de voorgaande decennia had moeten vechten tegen criminaliteit en een slechte reputatie, kreeg ineens de allure die het vandaag de dag nog steeds heeft. Hier was hard aan gewerkt door de stad zelf, door de straten schoon te vegen met hulp van een attitude binnen het systeem die de get tough policy werd genoemd – meer mensen oppakken en voor langere tijd vastzetten. 

In Californië kwam er ook een frisse wind, toen in 1996 een wetsvoorstel ingediend werd om wiet te legaliseren. De staat die altijd al bekend stond om zijn coulante houding tegenover drugsgebruik, was hierin revolutionair. Hoewel het wetsvoorstel uiteindelijk geen succes had, zou een jaar later met een krappe meerderheid vóór legalisatie van medicinale wiet worden gestemd. 1996 werd in dit opzicht een mijlpaal op het gebied van drugshervorming, want de wet zorgde voor een sneeuwbaleffect. In 2012 werden Colorado en Washington de eerste staten die marihuana volledig legaliseerden en vandaag mag je in de eerstgenoemde staat zelfs kleine hoeveelheden coke en MDMA op zak hebben.

Nederland in reverse 

De parallelle geschiedenis van Nederland ziet eruit alsof er een filmpje wordt teruggespoeld. Het begon allemaal in de jaren zestig, toen de vrije idealen overheersten binnen een groep jongeren in Nederland. Het was de tijd van de psychedelische revolutie, een tijd waarin werd gekeken naar mogelijkheden in plaats van naar gevaren. 

Voor deze jongerengroep was het ook een manier om zich af te zetten tegen de oudere generatie. Middelen als LSD en cannabis waren geliefde drugs; identiteitsvorming en zelfontplooiing speelden hierbij een grote rol. De overheid was verre van enthousiast, maar er werd geanticipeerd op basis van pragmatisme. De overheid had als doel drugsgebruik beheersbaar te houden. 

Met de komst van heroïne, destijds bekend als een iets zwaardere variant van opium, begon het drugsklimaat in Nederland te veranderen. Overlast, verslaving en criminaliteit namen toe, waardoor er in Nederland werd gepleit voor een gedoogbeleid voor coffeeshops. Beleidsmakers zagen het als water bij de wijn doen, om zo ernstige gevolgen te mijden. Het was een manier om doelbewust een scheiding tussen drugs met grote en kleine risico’s te creëren. Dit is dan ook hoe voor het eerst werd gesproken over softdrugs en harddrugs. Zo kwamen de eerste coffeeshops als Mellow Yellow en The Bulldog van de grond, in 1972. Toen het gedoogbeleid voor coffeeshops het aantal verslaafden niet deed dalen kwam er een omslag in het beleid; het discours verhardde en werd aantoonbaar restrictiever. Zo worden in de jaren tachtig en negentig veel aanscherpingen gedaan met betrekking tot drugsbeleid, zoals de aanscherping van de leeftijdsgrens van coffeeshops. 

De oude Amerikaanse retoriek sijpelde langzaam in de Nederlandse politieke discussie omtrent drugs. Internationalisering speelde hierbij dan ook een grote rol, het idee was om gezamenlijk tegen drugs te strijden en voor het eens zo pragmatische Nederland impliceerde dit een aantasting van hun eens zo progressieve beleid. Repressie was ‘in’ en er ontpopte zich dan ook een heksenjacht tegen drugscriminelen, met alle gevolgen van dien. Ook Christelijke partijen als CDA en ChristenUnie mengden zich in de discussie, wat heeft geleid tot campagnes als ‘alcohol maakt meer kapot dan je lief is’ (1996) en ‘drugs, laat je niks wijsmaken’ (2003), waar de drugsgebruiker zelf ook wordt vervolgd. 

Repressie was ‘in’ en er ontpopte zich dan ook een heksenjacht tegen drugscriminelen

 Wat nu?

Inmiddels staat de teller op 4,5 miljard euro per jaar, als het gaat om geld dat de overheid aan preventie en opsporing van drugscriminaliteit uitgeeft . Het zero-tolerancebeleid, dat zo aangewakkerd is door Amerikaanse politici als Nixon en Reagan, maar door de Verenigde Staten inmiddels opzij gezet, leeft sterker dan ooit binnen het Nederlandse debat. Moralisme en pragmatisme staan als kaders lijnrecht tegenover elkaar. Eigenlijk is dat heel vreemd, want feitelijk gezien heeft de war on drugs geen effect gehad. Drugscriminelen hebben vrij spel, niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. Zoals de burgemeester van Antwerpen zei: ‘De haven is zo lek als een vergiet’, hierbij doelend op de hoge aantallen cocaïne en andere middelen die via zee worden verscheept. Verder constateert het Trimbos-instituut een jaarlijkse stijging in het aantal drugsgebruikers, terwijl de marktwaarde van harddrugs als cocaïne nagenoeg hetzelfde is gebleven. 

Wanneer gaan Nederlandse politici die hameren op strengere wetten eindelijk inzien  dat het huidige beleid niet werkt? Ooit de gedoodverfde winnaar op het gebied van progressie, staat Nederland nu in de schaduw van Amerikaanse vernieuwing, een land dat op kop loopt op het gebied van drugshervorming. Het wordt tijd voor een inhaalslag. 

Leave a Reply