Skip to main content

Als je tegenwoordig vanaf Amsterdam Centraal Station over de Zeedijk naar de Nieuwmarkt loopt, kun je je niet meer voorstellen hoe dit keurig aangeharkte, hypertoeristische straatje ooit het epicentrum was van Europa’s heftigste heroïne-epidemie. Eind jaren ‘70 was je waarschijnlijk met een grote boog om de Zeedijk heen gelopen. Tenzij je natuurlijk een junkie was. Dan was dit jouw Albert Cuypmarkt geweest: dé plek om je volgende shot te scoren.

Tekst Aron Friedman

De junkie is al lang geen onderdeel meer van het Amsterdamse straatbeeld. Hij is figuurlijk – en helaas ook vaak letterlijk – uitgestorven. Maar eind jaren ‘70 waren er zo’n 10.000 (!) heroïneverslaafden in onze hoofdstad. Zoals je zult begrijpen legde dit een zware druk op de volksgezondheid en de veiligheid: criminaliteit, prostitutie, drugsdoden, daklozen en rondslingerende naalden waren aan de orde van de dag. Anno nu is het bijna niet meer te bevatten hoe al deze mensen verslaafd konden raken. Inmiddels weten we allemaal wel hoe groot de risico’s van heroïnegebruik zijn. Maar toen het middel hier in 1972 op de markt kwam waren de meesten zich nog van geen kwaad bewust. 

In de jaren ’60 was er in het magische Amsterdam nog geen vuiltje aan de lucht. De progressieve atmosfeer en het milde drugsbeleid trokken hippies aan van over de hele wereld. Het was er één grote, kleurrijke bende van langharig, werkschuw tuig. Cannabis werd oogluikend toegestaan en ook voor het bezitten of verhandelen van harddrugs waren de straffen beduidend lager dan in andere landen. Veel Amerikaanse jongeren kregen na het behalen van hun eindexamen een Europareis cadeau van hun ouders. Ze zagen Amsterdam als niet te missen pitstop. Vaak bivakkeerden ze met drommen tegelijk in het Vondelpark, waar ze dag en nacht dansten, zongen en samen high werden.

Er was in Amsterdam vanaf de jaren ‘50 wel opium in omloop – wat in wezen een soort milde variant is van heroïne – maar het werd vooral gebruikt in de kleine Chinese gemeenschap op de Wallen. Aan de Binnen Bantammerstraat was een opiumkit, waar een handjevol bejaarde Chinezen aan opiumpijpen lurkten. Het was zo’n kleine groep, dat de politie ze met rust liet. Maar langzamerhand raakten ook jazzmuzikanten en kunstenaars geïnteresseerd in het spul. De populariteit ervan werd te groot, waardoor in 1972 een aantal invallen werd gedaan door de politie. 

Binnen Bantammerstraat

Rond dezelfde tijd arriveerden Chinese gangsters met kilo’s heroïne in Amsterdam. Hun drugskartels (triaden) waren in Azië rijk geworden door de handel met Amerikaanse soldaten in Vietnam, die heroïne gebruikten om hun emoties en angsten te onderdrukken. Maar toen die oorlog langzaam op zijn eind liep, zochten de triaden naar nieuwe kansen in Europa. Amsterdam was met zijn soepele wetgeving een goede kandidaat. Bij aankomst in de stad doken de Chinese gangsters in het gat van de opiumschaarste, die na de invallen was ontstaan. Ze hadden meteen een afzetmarkt van trouwe klanten. 

Er zijn zelfs verhalen bekend dat ze Chinese gangsters drugs bij mensen door de brievenbus gooiden. Met zo’n hoge verslavingskans was dat natuurlijk geen slechte investering

Om zoveel mogelijk cliënten te ronselen, gaven ze de heroïne in het begin vaak gratis weg. Er zijn zelfs verhalen bekend dat ze de drugs bij mensen door de brievenbus gooiden. Met zo’n hoge verslavingskans was dat natuurlijk geen slechte investering. Ook de hippies in het Vondelpark bleken een gretige doelgroep voor het nieuwe middel. De groep dagelijkse gebruikers groeide gestaag, net als de macht van de triaden. Een belangrijke schakel in de nieuwe heroïnehandel werden de Surinaamse straatdealers. In groten getale emigreerden Surinamers midden jaren ’70 naar Nederland om hier een nieuw bestaan op te bouwen. Eenmaal aangekomen voelden ze zich niet bepaald welkom en vonden ze ook nog eens moeilijk werk. Drugs dealen was een van de manieren om snel aan geld te komen. Rond de Zeedijk hadden ze bovendien de perfecte spot om pas gearriveerde toeristen aan te spreken. 

Surinaamse dealers op de Zeedijk

Voordat heroïne zijn vernielingsspoor door Amsterdam trok, werden drugs nog niet echt als levensbedreigend beschouwd. Ja, misschien door gelovigen en conservatieven, die de anti-drugslobby uit Amerika papegaaiden. Maar onder jongeren en dan met name hippies waren psychedelica razendpopulair en die brachten vooral plezier en verruiming van de geest. Met die naïveteit werd ook heroïne aanvankelijk verwelkomd als interessante nieuwe roes. Het injecteren zal voor velen wel een drempel zijn geweest, maar het had ook een interessante aantrekkingskracht; iets nieuws, iets hips. Niemand was echt voorbereid op de ellende die het voor de meesten in petto had. Zelfs de Surinaamse dealers niet, die het spul aanvankelijk alleen maar rookten, maar daardoor ook verslaafd raakten. 


Het lastige aan een heroïneverslaving is dat je er vrij snel lichamelijk van afhankelijk wordt. Zodra het dan is uitgewerkt, voel je je angstig, opgejaagd en fysiek onwel. Het makkelijkste antwoord op dat ellendige gevoel is een nieuwe dosis. Die craving is dan vaak zó dwingend, dat je er alles voor over hebt. Daarnaast weet je nooit hoe zuiver heroïne precies is, dus ligt een overdosis met dodelijke gevolgen op de loer. Zo zijn veel van de horden drugstoeristen die naar Amsterdam kwamen voor een verzetje er nooit meer weggeraakt. Ze moesten gaan stelen om hun dure hobby te bekostigen, raakten soms in de schulden bij criminelen en bekochten hun verslaving regelmatig met de dood.  

Berovingen, overdoses en steekpartijen waren er aan de orde van de dag. Buurtbewoners verspreidden in die jaren zelfs pamfletten, waarop ze de Zeedijk tot ‘Rampgebied’ verklaarden

In en om café’s als Emil’s Place en Babelou aan de Zeedijk werd gedeald en gebruikt bij de vleet. De straat werd een plek waar je ’s nachts en eigenlijk ook overdag nog niet dood gevonden wilde worden. Als je zelf op zoek was naar heroïne liep je de kans bedrogen, bedreigd of beroofd te worden. De politie was niet opgewassen tegen de verharding en de groeiende aanwas junkies uit andere landen, die Amsterdam als hun mekka zagen. Berovingen, overdoses en steekpartijen waren er aan de orde van de dag. Buurtbewoners verspreidden in die jaren zelfs pamfletten, waarop ze de Zeedijk tot ‘Rampgebied’ verklaarden. 

Doemaar drummer stal van fan om heroïne te kopen

Om de groeiende groep junkies te steunen werden in de jaren ’70 veel initiatieven opgezet. De Regenboog groep is in die jaren opgericht en biedt nog steeds steun aan kwetsbare groepen zoals daklozen en verslaafden. Een andere beruchte plek was de HUK (de Huis- en UitkeringsKamer), ook wel het ‘spuithol in de Spuistraat’ genoemd, waar je overdag in alle rust een naald in je arm kon zetten. Mensen als Herman Brood waren er kind aan huis. Schrijver en ex-gebruiker René Stout schrijft: “Het HUK! Godallemachtig, denkend aan het HUK zie ik oude watjes door de lucht zeilen, en er is altijd wel iemand die ze opvangt om er nog een shotje uit te persen. Als ik aan het HUK denk, krijg ik jeuk, dan is het alsof vuile Jantje weer te dicht bij me in de buurt komt. Herinneringen aan dit legendarische huiskamerproject voor heavy junks knallen als beschimmelde popcornklonters uit mijn kop, POP POP POP.”  

Een andere beruchte plek was de HUK (de Huis- en UitkeringsKamer), ook wel het ‘spuithol in de Spuistraat’ genoemd, waar je overdag in alle rust een naald in je arm kon zetten. Mensen als Herman Brood waren er kind aan huis

De heroïne-epidemie duurde nog tot ver in de jaren ‘80. Tegen die tijd waren veel van de junkies overleden aan overdoses of door de AIDS-epidemie, die via geïnfecteerde naalden dood en verderf zaaide onder de Amsterdamse gebruikers. Anderen kwamen hun verslaving te boven door af te kicken. Op een gegeven moment raakte heroïne – mede door de erbarmelijke staat waarin veel junkies verkeerden – uit de mode. Het kreeg de slechte reputatie die het nu nog steeds heeft. Drugs als cocaïne en XTC werden populairder. 

Een kleine groep heroïneverslaafden is nog tientallen jaren door blijven gebruiken, maar leefde door een ongezonde levensstijl niet lang. Van de 10.000 gebruikers uit de piek van de epidemie zijn er nog maar een handjevol aan het gebruiken. De laatste jaren beleeft heroïne in de Verenigde Staten weer een opleving, vaak met even desastreuze gevolgen als destijds in Amsterdam. Maar hier is tot nu toe van een toename in gebruik weinig te merken. Misschien ligt de grimmigheid van de jaren ’70 nog net iets te vers in het geheugen. 

Bron: Andere Tijden – De Heroïne-epidemie 

Leave a Reply