Skip to main content

André Havas was als arts onderdeel van het pionierende Huiskamerproject, beter bekend als het HUK, een veilige haven voor zwaarverslaafden in de jaren zeventig. Hij verstrekte als een van de eerste artsen methadon aan heroïnepatiënten en hij nam cliënten mee op reisjes, om zo hun levens weer te vermenselijken.

Tekst Isa Davids 

Arts en psychotherapeut André Havas is een rustige verteller. Zijn woordkeuze is doordacht, vrijwel oordeelloos en met een vleugje humor en charme. Het is niet de eerste keer dat hij zijn verhaal doet over zijn tijd bij het HUK, maar hij vindt dit interview ‘een fijne gelegenheid om oude sluimerende stokpaardjes weer eens op te rakelen’.

Hoe bent u eigenlijk bij het HUK terecht gekomen? 

‘In de jaren zeventig heerste er een andere tijdgeest. Het HUK is daar een concreet uitvloeisel daarvan. Het was de tijd van flowerpower, everybody happy en anti-psychiatrie. Het miegelde dan ook van de drugs. Voor het HUK bestond er al het Vondelpark Project, een door de GGD opgezet punt waar mensen naartoe konden als ze een aan het trippen waren of erger, bedacht om enig toezicht te organiseren. Het park liep destijds vol hippies die drugs gebruikten. Soms namen ze per ongeluk een overdosis. Het was fijn dat er dan een punt was waar ze terecht konden voor hulp. Ik was destijds net afgestudeerd arts en ik kwam terecht bij de Stichting Kontact Centra (SKS), een stichting met meerdere locaties waar hulp werd geboden voor langdurig en ernstig verslaafde harddruggebruikers. De kern van de harddrug verslavingszorg vond plaats in de Spuistraat, in die tijd ook wel de “Spuitstraat” genoemd, was bestemd voor degenen die er het ergst aan toe waren. Het HUK (de Huis- en UitkeringsKamer) was omgebouwd tot een veilige locatie voor junks, waar ze vrij konden gebruiken. We hadden bijvoorbeeld een sigarettenautomaat omgetoverd tot een spuitenautomaat, zodat mensen aan schone spuiten konden komen voor het injecteren. Er was ook nog een drugvrije locatie in het centrum, daar kon je vanuit het HUK naartoe promoveren.’

‘We hadden bijvoorbeeld een sigarettenautomaat omgetoverd tot een spuitenautomaat, zodat mensen aan schone spuiten konden komen voor het injecteren’

Was het niet vreemd om als afgestudeerde dokter op zo’n plek te belanden? 

Het was een bizarre ervaring, maar ook ik was in die tijd erg gekleurd door de flowerpowerbeweging en antipsychiatrie. Of liever gezegd, aangestoken.’ Lachend: ‘Eigenlijk was ik ook een hippie; een hippie met een diploma. Maar in alle eerlijkheid: het woord “hippie” is een nonsensbenaming voor een sociale beweging die er wel degelijk toe deed. Zo was ik  de eerste arts die methadon op onderhoudsbasis ging verstrekken en er waren ook andere serieuze elementen die voortvloeiden uit de hippiebeweging binnen het HUK. We beheerden uitkeringen voor mensen, waardoor zij weer in staat waren een woning te krijgen. Die kregen ze dan ook vaak wel, omdat wij door ons hulpbeleid de zekerheid verschaften dat ze hun geld niet zouden verpatsen aan drugs. Doordat er bij ons de gelegenheid was om veilig te gebruiken, konden wij ook veel doen voor de gezondheid van deze mensen. Zo namen we bezoekers van het HUK eens per jaar mee naar het Binnengasthuis-ziekenhuis voor een lichamelijk onderzoek. Dat viel eigenlijk altijd best mee. Overigens grappig: ik had hier mijn co-schappen gelopen, dus ik was er bekend.’

Het viel mee – bedoelt u fysiek of mentaal? 

‘Ik bedoel fysiek. Op mentaal vlak gebeurde er van alles; dat kwam deels door de middelen die ze gebruikten, maar ook door de types die bij het HUK kwamen. Eigenlijk waren er drie typen mensen te onderscheiden. De eersten waren intellectuele hippies met een prima brein, kunstenaars of andere creatievelingen. Gewoon heel leuke bijzondere mensen die in een trechter waren gekomen door hun harddrugsverslaving. Het tweede type bestond uit psychiatrische patiënten. Zij werden vaak geweigerd bij inrichtingen, omdat de angst bestond dat zij andere patiënten zouden besmetten met hun verslaving. Niet geheel onterecht natuurlijk. Daardoor werden ze niet opgenomen en kwamen ze bij ons terecht. Het derde type waren mensen uit het criminele circuit. Wij hadden zelf ook een paar dealers rondlopen. Debbie was hiervan de meest beruchte, maar hij was een semi-geciviliseerde dealer omdat hij niet onnodig gewelddadig was. Verder was er nog dealer Herman, een heel highe flowerpowergast. Hij werkte oorspronkelijk voor een beroemde couturier waar hij lederen kleding maakte, maar hij was ontzettend verslaafd geraakt. Maar gelukkig was hij sterk en slim, en belandde bij ons.’

Foto uit de privécollectie van André Havas, genaamd het Team aan Wal

Die dealers, die mochten daar gewoon openlijk dealen?


‘Ja, want daardoor was de garantie van kwaliteit groter. We wisten dat ze geen troep verkochten, want als binnenhuisdealer kon je je dat niet permitteren. Niet dat ik ze er anders uit zou trappen, ik denk niet dat ik dat had gedurfd. Het was een symbiotische co-existentie, en het was onze uitdaging om op de juiste wijze met deze jongens om te gaan. Gelukkig hadden ze geen vuurwapens, maar het leidde wel tot taferelen: Debbie kwam op een keer langs en ging ergens stil in een hoekje zitten. Na een beetje doorvragen opende hij zijn jasje; bleek hij beschoten te zijn. Gelukkig was het een schampschot. Toch was het bij het HUK aanzienlijk veel veiliger dan op plekken als de beruchte Zeedijk. Wij zagen de verslaafden ook niet als junks, maar als mensen. We gingen normaal met ze om.’

‘Aan de Zwitserse grens werden we aangehouden, met een busje vol junkies

En dat leidde dus tot skireisjes? 

‘We hebben een diverse initiatieven opgezet, waaronder werkprojecten en inderdaad een skireisje. Maar we zijn ook wezen zeilen met een boot die zelf was gebouwd door onze cliënten. Vaak organiseerde ik deze reisjes met mijn vriend Wisse. Toen we naar Frankrijk op skireis gingen, waren we zo onverstandig geweest om een short-cut via Zwitserland te maken. Daar werden we aangehouden, met een busje volgeladen met junkies. Armen vol spuitplekken. De hasjhonden gingen compleet uit hun dak en iedereen moest gefouilleerd worden. Gelukkig had ik als dokter alle papiertjes netjes mee van de apotheek, ook voor de methadon, en mochten we verder door naar Frankrijk. Dat was het leuke: terwijl we eigenlijk niemand iets verboden, werd de verslaving minder relevant onderweg. Iets meemaken werkte als een alternatief voor de high. Er waren altijd meer aanmeldingen dan plaatsen voor zulke reisjes. We probeerden het leven gewoon VVV te maken voor die mensen, door niet te focussen op afkicken, maar op het vermenselijken van hun leven.’

Foto uit de privécollectie van André Havas tijdens een van de beroemde skireisjes naar Frankrijk, georganiseerd door het HUK.

Hoelang heeft u dit werk eigenlijk gedaan? 

‘In Amsterdam heb ik dit werk zes jaar gedaan, daarna werd het HUK opgeheven en werd heroïneverstrekking overgenomen door de GGD. Eigenlijk had ik in die zin wel mazzel, want op dat moment werd ook mijn zoon geboren, Milas. Ik ben wel gevraagd om bij de GGD te komen werken, maar met de komst van een baby was het voor mij een goed moment om een andere weg in te slaan. Afstand te nemen. Achteraf was het natuurlijk ook vrij intensief, maar dat hadden we op dat moment niet door. Even voor de beeldvorming: het begrip “burn-out” komt uit New York, een term die ooit bedacht is voor mensen die met verslaafden werken. Er zit dus wel een houdbaarheid aan zulk soort werk. Gelukkig hebben de meeste collega’s het er goed vanaf gebracht. Dat kwam ook door de groepsdynamiek – we waren erg loyaal naar elkaar. Maar er zijn ook een aantal medewerkers zelf verslaafd geraakt. Een is er zelfs door overleden.’

Hoe kan dat nou gebeuren, als je zo veel leed om je heen ziet? 

Nogmaals, de tijdgeest was echt anders. Mensen zagen de lasten, maar ook de lusten. Ze raakten nieuwsgierig. Drugs waren ook niet zo afgebakend als nu, het verschil tussen heroïne en LSD leek minder groot. Misschien wisten insiders het verschil wel, maar outsiders nog niet. Daarbij kwam dat het ook gewoon stoer was om het te proberen. Het was in lijn met andere manifestaties van die tijd, zoals vrije seks en reizen. Mensen waren klaar met dat burgerlijke gedoe, ze stonden voor de flowerpower. Dit was echt een soort revolutie en daar hoorde ook drugs bij. Tijdgeest is krachtig spul.’

‘Tijdgeest is krachtig spul’

Hoe zit het met de aidsepidemie, die kwam natuurlijk ook op in die tijd.

‘Die heb ik inderdaad net meegekregen en dat was tamelijk dramatisch. Aids werd natuurlijk overgedragen via seks, maar ook via vuile spuiten. Onze cliënten liepen daardoor een verhoogd risico. Toch was er geen sprake van massahysterie. Omdat de hippiebeweging zo sterk en dominant was, werden dit soort ontwikkelingen beschouwd als een zij-effect van een veel groter geheel. Collateral damage. Verslaving en aids, dat was daar nou eenmaal een onderdeel van. Zelfs de politie werd steeds genuanceerder. In het begin deden ze nog weleens invallen en werden we met z’n allen in een busje afgevoerd naar het politiebureau op de Warmoesstraat. Later begonnen die agenten beter na te denken, en leek het ook hen toch wel nuttig, dat HUK. Ondanks dat de politie vaak VVrechts is, zag je dat naarmate de tijd vorderde ook zij begonnen te denken: “Hey, dit is zo gek nog niet.” Doordat er een veilige plek was voor deze mensen, was er automatisch ook minder overlast op straat. Daarbij kwam dat als ze iemand zochten, ze vaak precies wisten waar te zoeken. Zowel door de gemeente als de politie werd er mede daardoor eigenlijk vrij veel gedoogd.’

We maken even sprong naar het heden, hoe ziet u het huidige beleid?

Ik denk dat het beleid ontzettend is achtergebleven in vergelijking met de relatief progressieve tijdgeest van toen. Heroïne wordt nog steeds verstrekt door de GGD, maar de drug is tegenwoordig uit de mode geraakt. Dat geldt niet voor cocaïne, die trend is alleen maar groter geworden. De vraag naar drugs blijft, dat blijkt maar weer. Ik ben daarom erg voor legalisering, maar wel op een gereguleerde manier. Hoe we precies naar het eindpunt komen is natuurlijk een ander verhaal, maar verbieden heeft geen zin. Bovendien zijn drugs an sich absoluut niet gevaarlijker dan alcohol, punt. Juist het illegaal maken geeft ontzettend veel problemen, waaronder de criminalisering. Kijk maar naar wat er gebeurde toen in de Verenigde Staten alcohol werd verboden: dat leidde tot de opkomst van de maffia en alle gevolgen van dien. Bovendien: als je iets legaliseert, wordt het alleen maar minder aantrekkelijk. Alcohol is bijvoorbeeld ingeburgerd in Nederland, wat ik ontzettend goed vind. Je kunt daardoor mensen beter sturen en controleren op het gebruik ervan. Er wordt hier in problemen gedacht, maar het leven zelf is een enorm probleem. We gaan namelijk allemaal dood, dan kunnen we maar beter zelf onze afwegingen maken.’

Leave a Reply