Skip to main content

‘Aangezien de overheid het niet voor elkaar krijgt de productie aan te pakken, is de overheid zich steeds meer gaan richten op de gebruiker zelf. In wezen wordt de gebruiker ten onrechte gecriminaliseerd, terwijl dit niet de intentie van de Opiumwet is’

‘Mijn debuut als wetgever bij het ministerie van VWS was het opheffen van de Absintwet uit 1909. Dat was mijn eerste wapenfeit. Daarna was ik nauw betrokken bij alle wijzigingen van de Drank- en Horecawet, de Opiumwet en in zekere mate ook de Tabakswet. Toen ik merkte dat het politieke klimaat rondom deze onderwerpen steeds restrictiever werd, ben ik opgestapt en ben ik voor mezelf begonnen. Sinds september 2014 ben ik werkzaam als juridisch en strategisch adviseur.

Ik zie veel misplaatste aannames binnen de politiek als het gaat om drugs. In vergelijking met alcohol en tabak worden drugs echt anders benaderd. Dit komt vooral omdat alcohol en tabak al veel langer onderdeel uitmaken van onze maatschappij, waardoor ze door veel mensen als minder schadelijk of gevaarlijk worden beschouwd. Maar als de sigaret nu op de markt zou worden geïntroduceerd, zou deze nooit worden toegestaan. Veel te gevaarlijk. De reden dat er nog geen verbod is komt puur omdat de Nederlandse staat per jaar 2,5 miljard aan accijns verdient op de verkoop van tabak. Het lobby-apparaat is immens en organisaties onderhouden nauwe contacten met politieke partijen, met als doel strengere regelgeving tegen te gaan of de invoering daarvan te vertragen. Er is een fundamenteel verschil tussen alcohol en drugs. Bij drugs ligt het aan het middel zelf. Bij alcohol ligt het niet aan het middel, maar aan de gebruiker. Dat beeld wordt vakkundig in stand gehouden door de alcoholproducenten. Die besteden daar jaarlijks miljoenen euro’s aan. Bij drugs vind je geen soortgelijk model, omdat mensen hun handen er niet aan willen branden. 

Het systeem met twee opiumlijsten in Nederland is eigenlijk niet zo verkeerd, alleen is het mij volstrekt onduidelijk waarom een drug als XTC als harddrugs wordt bestempeld. Bij elke substantie wordt gekeken hoe groot het risico is voor de samenleving en hoe verslavend het is. In de praktijk zie je dat de schadelijkheid en risico’s van MDMA beperkt zijn. Het probleem ligt vooral bij de illegale productie van XTC. Aangezien de overheid het niet voor elkaar krijgt de productie aan te pakken, is de overheid zich steeds meer gaan richten op de gebruiker zelf. In wezen wordt de gebruiker ten onrechte gecriminaliseerd, terwijl dit niet de intentie van de Opiumwet is. Deze wet is vooral gericht op het beschermen van de volksgezondheid.

Het reguleren van de productie en de verkoop van XTC zorgt juist voor minder gezondheidsschade, minder criminaliteit en minder schade aan het milieu. Maar reguleren van drugs is afhankelijk van het middel en zeker geen overkoepelende oplossing voor alles wat er in omloop is. Zo vind ik zelf zogenaamde ‘uppers’ als speed en cocaïne een groter risico voor de gezondheid en de maatschappij dan bijvoorbeeld psychedelica. Feit blijft echter dat ook hier goed moet worden gekeken wat de beste aanpak is, vanwege de populariteit van deze middelen. 

Met een verbod wordt de vraag naar bepaalde middelen niet weggenomen, maar dit blijkt nog steeds niet te landen bij politici. Krankzinnigheid is keer op keer hetzelfde doen en een ander resultaat verwachten, zei Einstein al. Ik denk dat we onze manier van denken moeten veranderen. Nu wordt vrijwel elk nieuw middel dat op de markt verschijnt meteen op lijst 1 (harddrugs) geplaatst. Die reflex moet worden doorbroken. Het kan ook anders. Het is goed dat er nu meer initiatief komt vanuit de jeugd, als tegenbeweging. Zij herkennen zich niet in het beeld van een dystopische samenleving waar iedereen in de goot ligt onder invloed van drugs. Dat beeld wordt vaak geschetst door politici die zelf weinig ervaring hebben met drugs. Hun intentie is goed, maar de oplossing past niet bij het doel wat ze willen bereiken.’